Nieuwe kerndoelen in het praktijkonderwijs: wat moet en wat mag?
In het praktijkonderwijs werken we aan onderwijs dat aansluit bij wat leerlingen nodig hebben om steeds zelfstandiger mee te doen in de samenleving. Daarbij verschillen de mogelijkheden en ontwikkelroutes van leerlingen. Wat betekenen de nieuwe kerndoelen dan voor ons onderwijs? Moeten we dezelfde doelen aanbieden als andere vo-scholen? Mogen we functionele kerndoelen gebruiken? En hoeveel ruimte blijft er voor eigen keuzes? In dit artikel zetten we de uitgangspunten op een rij.
Welke kerndoelen gelden voor het praktijkonderwijs?
Voor het praktijkonderwijs bestaat geen aparte wettelijke set kerndoelen. Het valt onder de Wet voortgezet onderwijs 2020 en gebruikt de kerndoelen voor het voortgezet onderwijs als uitgangspunt. Artikel 2.31 bepaalt daarbij dat het onderwijs ‘zoveel mogelijk op basis van de kerndoelen’ wordt verzorgd. Die formulering biedt ruimte om het onderwijs af te stemmen op de mogelijkheden van leerlingen (SLO, 2026).
Hoewel de doelen worden aangeduid als ‘kerndoelen voor de onderbouw van het vo’, vormen ze in het praktijkonderwijs het inhoudelijke kader voor de hele schoolperiode. Het praktijkonderwijs kent immers geen centraal examen dat daarna het onderwijsprogramma bepaalt (SLO, 2026).
Dat vraagt om een vertaling naar het eigen curriculum: welke kennis, vaardigheden en ervaringen willen we leerlingen meegeven, hoe bouwen we die op en waar krijgen ze een plek?
Wat betekent de ruimte om af te wijken?
‘Zoveel mogelijk’ betekent dat we zorgvuldig kijken naar wat een leerling kan leren en welke ondersteuning daarvoor nodig is. Wanneer bepaalde kerndoelen niet passend zijn, kan de school daar beredeneerd van afwijken. Volgens de SLO-wegwijzer worden die afwijkingen opgenomen in het ontwikkelingsperspectief, het OPP (SLO, 2026).
Daarbij is ‘dit is te moeilijk voor onze leerlingen’ als algemene uitspraak weinig behulpzaam. Welke leerling bedoelen we? Welk onderdeel is moeilijk? En verandert dat wanneer we extra tijd, instructie of een andere context bieden? Zulke vragen helpen om keuzes inhoudelijk te onderbouwen.
Voor iedere leerling in het praktijkonderwijs stelt de school een OPP op. Daarin staat hoe het onderwijs aansluit bij de onderwijsbehoeften. De school volgt de ontwikkeling, voert de afgesproken ondersteuning uit en evalueert het plan minimaal jaarlijks met ouders. Voor taal en rekenen geldt daarbij streefniveau 1F als uitgangspunt. Dat is geen garantie dat iedere leerling dit niveau bereikt, en evenmin een reden om de ontwikkeling van leerlingen die verder kunnen te begrenzen (Inspectie van het Onderwijs, z.d.).
Mogen we functionele kerndoelen gebruiken?
Ja. Functionele kerndoelen zijn ontwikkeld voor specifieke groepen leerlingen in het speciaal en voortgezet speciaal onderwijs. Ze richten zich nadrukkelijk op praktische toepassing en maatschappelijke redzaamheid.
Voor het praktijkonderwijs zijn deze doelen geen verplicht vervangend pakket. Ze kunnen wel helpen om een passend aanbod te ontwerpen wanneer bepaalde vo-kerndoelen niet haalbaar zijn. Vooral de functionele kerndoelen voor het VSO-uitstroomprofiel arbeidsmarkt kunnen daarvoor bruikbaar zijn. De keuze vraagt steeds een onderbouwing vanuit de leerling (SLO, 2026).
In het curriculum kunnen we vervolgens verbindingen leggen tussen leergebieden en praktijksituaties. Denk bijvoorbeeld aan een mogelijke opdracht waarin leerlingen een maaltijd voorbereiden: een recept begrijpen, hoeveelheden berekenen en overleggen over de taakverdeling. Zo’n opdracht biedt verschillende leermogelijkheden. Welke doelen daadwerkelijk aan bod komen, hangt af van de instructie, oefening en begeleiding die we organiseren.
Alleen een kerndoel aan een activiteit koppelen is daarom nog niet voldoende. De vervolgvraag is wat leerlingen er leren en hoe we hun ontwikkeling zichtbaar maken.
Wanneer moeten we met de nieuwe doelen werken?
Sinds 1 augustus 2026 zijn de nieuwe kerndoelen voor Nederlands en rekenen en wiskunde in werking. Voor bestaande scholen geldt overgangsrecht tot 1 augustus 2031. Zij mogen hun onderwijsprogramma in die periode nog op de oude doelen baseren. Het hele curriculum hoeft dus niet sinds augustus 2026 al vernieuwd te zijn (Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2026).
Voor de overige reguliere leergebieden is wettelijke invoering voorzien vanaf 2027. Het onderscheid tussen gepubliceerde doelen, wettelijke invoering en de overgangsperiode blijft daarbij belangrijk (Rijksoverheid, z.d.).
Een bruikbaar begin is om als team één onderdeel van het huidige aanbod naast de nieuwe doelen te leggen. Wat bieden we al aan? Wat ontbreekt? Waar vragen doelen om een andere opbouw of meer oefening? Leg vervolgens vast welke keuzes schoolbreed gelden en waar individueel maatwerk nodig is. Zo ontstaat stap voor stap een samenhangend curriculum waarin zowel de landelijke opdracht als de ontwikkeling van de leerling herkenbaar is.
Stand van zaken: september 2026.
Literatuur
Inspectie van het Onderwijs. (z.d.). Standaarden OP2 en OP3 worden aangepast. https://www.onderwijsinspectie.nl/onderwerpen/de-versterking-van-ons-toezicht/standaard-op2-en-op3
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. (2026, 14 juli). Besluit vernieuwde kerndoelen Nederlands en rekenen en wiskunde. Staatsblad 2026, 198. https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2026-198.html
Rijksoverheid. (z.d.). Vernieuwen curriculum primair onderwijs en voortgezet onderwijs. Geraadpleegd op 17 september 2026, van https://www.rijksoverheid.nl/themas/onderwijs/toekomst-onderwijs/toekomstgericht-curriculum
SLO. (2026). Werken met geactualiseerde kerndoelen in het praktijkonderwijs: Een wegwijzer. https://www.slo.nl/publish/pages/23646/werken-met-geactualiseerde-kerndoelen-in-het-praktijkonderwijs.pdf